De huurverhoging die deze woningbeleggers jaarlijks in rekening brengen is oneerlijk, vindt een aantal lagere rechters. In mei vorig jaar was de Amsterdamse kantonrechter de eerste die huurverhogingen van Bouwinvest van dat oordeel voorzag. Daarna volgden vergelijkbare zaken en uitspraken tegen Amvest, Vesteda en (begin deze maand) Altera.
Jaarlijkse huurverhoging
De zaken draaien om het zogenaamde huurprijswijzigingsbeding. Huisbazen mogen de huurprijs jaarlijks verhogen, als dat (zoals gebruikelijk) in het huurcontract staat. Daarbij gaat het om het inflatiepercentage op basis van de consumentenprijsindex. Er mag ook een optionele, extra opslag worden berekend van doorgaans 3 tot 5 procent van de maandelijkse huur.
In de zaak rond woningverhuurder ASR Real Estate zijn in januari zogenoemde prejudiciële vragen voorgelegd aan de Hoge Raad. Het hoogste rechtscollege moet onder meer beoordelen of die inflatiecorrectie en de optionele extra verhoging wel zijn toegestaan. Zo niet, moet er dan geld worden terugbetaald aan de huurder?
Juist die extra opslag vinden de lagere rechters oneerlijk, in het licht van Europese regels voor de bescherming van consumenten. Een huurder kan door de betreffende bepaling geen goede inschatting maken van de economische gevolgen van zijn huurovereenkomst op de lange termijn. Ook is geen sprake van duidelijke en begrijpelijke criteria voor de berekening van zo’n huurverhoging. Daarnaast wordt niet gerept van eventuele huurverlaging. De genoemde Europese regels werden onder meer succesvol ingeroepen in zaken over prijsverhogingen van telecombedrijven en gasleveranciers.
Tientallen miljoenen euro’s
De kwestie kan huurders duizenden euro’s opleveren en verhuurders tientallen miljoenen euro’s kosten. Brancheorganisatie IVBN (van de pensioenbeleggers in vastgoed) kan de eventuele gevolgen van de rechtszaken ‘nog niet goed overzien’, aldus een schriftelijke reactie. In afwachting van de uitspraken in hoger beroep denkt de vereniging wel dat de uitspraken niet voor alle huurders hoeven te gelden, ‘omdat niet alle huurovereenkomsten hetzelfde zijn’.
Dat vooral de institutionele partijen op de korrel worden genomen doet pijn in deze hoek van de huursector. Juist deze verhuurders presenteren zich graag als een baken van rust in de onstuimige vrije huursector. Het zijn vaak de kleine particuliere verhuurders die volgens hen verantwoordelijk zijn voor de explosie van de huurprijzen, onder meer door de inzet van kortlopende huurcontracten. Een volgende huurder kan dan weer een hogere huur betalen, met dank aan het oplopende woningtekort.
Wanneer de kwestie beslecht kan worden is niet te zeggen. Volgens een woordvoerder van de Hoge Raad is de datum van beantwoording van de prejudiciële vragen nog niet bekend.