Alle partijen willen meer woningen, maar hoe komen die er? En wie mogen er eigenlijk in wonen?

Huren

De Volkskrant vergelijkt de verkiezingsprogramma’s op de belangrijkste thema’s. Vandaag: volkshuisvesting. Alle partijen willen meer betaalbare woningen. Het verschil van mening zit in de vragen wie daarvoor moeten zorgen en voor wie de woningen zijn.

In het rijtje van belangrijkste thema’s die de politiek moet aanpakken staat de woningmarkt steevast bovenaan. Dat is niet zo gek. Nederland kent al geruime tijd meer dan 300 duizend woningzoekenden. Hier valt nauwelijks tegenop te bouwen, mede omdat de bevolking groeit door immigratie. ‘We bouwen tegen de klippen op’, zei woonminister Hugo de Jonge eind vorig jaar al vanwege de hoge immigratiecijfers. Per 2030 moeten er 900 duizend huizen bijgebouwd zijn: dat zijn er minimaal 100 duizend per jaar.

Vooralsnog lukt dat maar mondjesmaat. Niet alles is de schuld van het vorige kabinet. Opeenvolgende kabinetten hebben de boel laten versloffen: in 2017 zei VVD-minister van Wonen Stef Blok zelfs nog trots: ‘Ik ben de eerste VVD’er die een heel ministerie heeft doen verdwijnen!’ Het ministerie van Volkshuisvesting zou volgens hem niet meer nodig zijn. Vanaf nu zou de markt het allemaal wel kunnen oplossen.

Uitstel van grote levensbeslissingen

Dat bleek een misrekening. Het kabinet-Rutte IV heeft weliswaar geprobeerd om na jaren van afwezigheid zich weer intensief met volkshuisvesting te gaan bemoeien (‘We pakken de regie op de volkshuisvesting weer terug’, is misschien wel de meest uitgesproken zin van De Jonge), maar de weerbarstige praktijk heeft nog geen grote spurt laten zien in de huizenbouw.

De gevolgen zijn groot. Inmiddels heeft een fors deel van de 35-minners nauwelijks zicht op een betaalbare huur- of koopwoning. Veel jongeren stellen hierdoor grote levensbeslissingen uit – zoals het stichten van een gezin. De vele huurders onder hen ervaren ook nog eens veel stress, omdat zij soms elk jaar moeten verhuizen omdat de huurbaas hen eruit zet zodat hij de huurprijs weer kan verhogen. In de zoektocht naar een nieuwe woning worden ze telkens geconfronteerd met hogere huren.

Ook de iets oudere generatie voelt de gevolgen van de wooncrisis. Scheiden van je partner en dichtbij een eigen woning vinden zodat je co-ouder kunt blijven over de gezamenlijke kinderen, is in de meeste Nederlandse steden inmiddels een onbegaanbare weg. Beginnen aan een nieuw leven zit er vaak niet in.

Drastische maatregelen zijn dus nodig, vinden alle partijen: van links tot rechts. Allemaal pleiten ze in hun verkiezingsprogramma’s voor meer betaalbare koop- en huurwoningen, zowel voor de lage inkomensgroep als voor de midden- en zelfs de wat hogere inkomensgroepen (zodat de doorstroming op gang blijft). Maar vooral de vraag wie er nou precies voor moet gaan zorgen dat die extra woningen er komen, is een punt van onenigheid.

Bij wie ligt de regie: overheid of markt?

Voor de meeste partijen aan de rechterkant van de Kamer is het vrij simpel hoe de wooncrisis moet worden opgelost: geef bouwvakkers de ruimte om zoveel mogelijk te bouwen. Die bouwvakkers, die in de meeste gevallen in dienst zijn van commerciële marktpartijen, moet je zo min mogelijk lastig vallen met bureaucratie. Daar zouden zowel huurders als kopers wat aan hebben.

De VVD wil bijvoorbeeld ‘snoeien in de grote hoeveelheid regels, sneller vergunningen afgeven en sneller bouwlocaties aanwijzen, ook aan de randen van de stad’, zegt het VVD-Kamerlid Peter de Groot. De overheid moet zich wat de liberalen betreft ook niet te overmatig bemoeien met de huurprijzen in het middensegment (alleen met de excessieve huren), want anders schrikt dat alleen maar investeerders af, waardoor de woningvoorraad verder daalt. ‘Het aantal beschikbare huur- en koopwoningen heeft een duikvlucht genomen sinds de overheid verstikkende regels oplegt’, zegt De Groot. ‘Laten we zorgen dat we meer bouwen in plaats van afknijpen.’

Aan de andere kant van het spectrum zitten de partijen die juist vinden dat de overheid de teugels veel strakker moet aantrekken. Bij1 wil eigenaren van meerdere huizen desnoods onteigenen. Iets realistischer is de SP, die vindt dat woningbouw ‘niet meer kan worden overgelaten aan de markt’. Andere linkse partijen sluiten zich daarbij aan: ‘We hebben huisvesting te lang overgelaten aan de markt, het was een feest voor alle pandjesbazen’, aldus het GroenLinks-PvdA-Kamerlid Henk Nijboer. Hij kreeg onlangs samen met de CU een wetsvoorstel door het parlement om het vaste huurcontract weer tot norm te verheffen.

In het midden zitten partijen als CDA, NSC, maar ook de PVV. Die laatste partij ziet een rol voor zowel de overheid als de markt om de woningcrisis op te lossen. Zo wil de PVV de huurtoeslag verhogen en meer sociale huurwoningen, maar wil de partij tegelijkertijd ‘alle belemmerende regels schrappen’ zodat er snel in ‘alle steden en dorpen een straatje bij’ kan worden gebouwd.

Wie mag wonen in die nieuwe woningen?

Mocht het nou lukken met die extra huizenbouw, dan is nog wel een discussiepunt wie daarin mag wonen. Een partij als de PVV zit op dit vlak wel weer vertrouwd aan de rechterkant: de partij wil ‘geen voorrang voor statushouders bij de toewijzing van sociale huurwoningen, maar voorrang voor Nederlanders’.

Partijen als de VVD en NSC vinden dat migratiebeperking vereist is om het woningtekort binnen de perken te houden. De liberalen en Omtzigts partij stellen dat er simpelweg te weinig woningen zijn om alle studie-, arbeids- en asielmigranten jaarlijks te huisvesten.

Bij GL-PvdA vinden ze dat veel te kort door de bocht. ‘U zet groepen tegen elkaar weg’, zei Esmah Lahlah, de nummer 2 van GL-PvdA onlangs in een woondebat op BNR Nieuwsradio tegen haar tegenstrever van de VVD. Wat haar betreft kan het overigens wel een tandje minder met het aantal buitenlandse studenten en arbeidsmigranten, maar hoeft het aantal asielzoekers niet omlaag om de woningmarkt te redden.

Bron

Deel dit bericht